Fiscale screening van de beleggingsportefeuille in uw vennootschap

Vakartikels

Veel vennootschappen met een overschot aan liquide middelen investeren deze in een beleggingsportefeuille teneinde een hoger rendement te halen dan op een spaar- of termijnrekening bij de bank.  Traditioneel maken rechtstreekse beleggingen in (beursgenoteerde) aandelen in Belgische of buitenlandse vennootschappen een belangrijk onderdeel uit van die portefeuille, waarbij dan voornamelijk gemikt wordt op (belastingvrije) meerwaarden.

Baker Tilly

Daarnaast wordt ook vaak belegd in collectieve beleggingsinstellingen, hetzij beleggingsvennootschappen (bijv. beveks/sicav's) of beleggingsfondsen.  Elk van deze beleggingen kent haar eigen fiscaal regime. 

Sedert de hervorming van de vennootschapsbelasting met het Zomerakkoord van 2017 is het fiscaal stelsel van meerwaarden op aandelen grondig gewijzigd. Met ingang van aanslagjaar 2019 (boekjaren die ten vroegste starten op 1 januari 2018) is de vrijstelling van meerwaarden op aandelen die langer dan 12 maanden zijn aangehouden ook onderworpen aan de minimum participatievoorwaarde die al sedert jaar en dag geldt voor de DBI-aftrek inzake dividenden (voorheen 95%, thans 100% van het dividend).  

Dit betekent dat meerwaarden slechts vrijgesteld zijn, indien de vervreemde aandelen deel uitmaken van een minimum participatie van 10% of met een historische aanschaffingswaarde van minstens 2.500.000 EUR.

Het spreekt voor zich dat de aandelenparticipaties in beleggingsportefeuilles zelden of nooit aan deze minimale voorwaarden gaan voldoen, met als gevolg dat vanaf boekjaar 2018 deze meerwaarden het gewoon tarief inzake vennootschapsbelasting zullen ondergaan, nl. 29,58% of, voor 'kleine' vennootschappen die bijkomend aan de voorwaarden voor het verlaagd tarief voldoen (met o.a. een limiet op het aandelenbezit), 20,40% voor de eerste 100.000 EUR aan belastbare winst.  Uiteraard gaat deze meerwaardetaxatie het rendement van de aandelenportefeuille serieus doen zakken.  

Daarnaast blijft de regel bestaan dat minderwaarden op aandelen fiscaal niet aftrekbaar zijn. 

Vanuit die optiek lijkt het dan ook wenselijk om de bestaande beleggingsportefeuille aan een screening te onderwerpen.

Rechtstreekse aandelenparticipaties om die reden vervangen door beleggingen in beleggingsvennootschappen of beleggingsfondsen biedt op fiscaal vlak geen uitkomst. Dergelijke beleggingsvennootschappen genieten vaak van een fiscale behandeling die afwijkt van het  gewoon fiscaal stelsel (zeker in België en Luxemburg) en om die reden zijn hun aandelen traditioneel uitgesloten van de DBI-aftrek op dividenden en bijgevolg ook van de meerwaardenvrijstelling.  

Een uitzondering hierop geldt voor de zogenaamde DBI-Beveks (alsook voor de gereglementeerde vastgoedvennootschappen of "GVV's") waarvan de statuten in de jaarlijkse uitkering voorzien van ten minste 90% (80% voor GVV's) van de inkomsten die ze hebben verkregen, na kostenaftrek (bezoldigingen, commissies, kosten), voor zover en in de mate dat die inkomsten voortkomen uit hetzij dividenden die zelf voor de DBI-aftrek in aanmerking komen, hetzij meerwaarden op aandelen die voor belastingvrijstelling in aanmerking komen.

M.a.w. rechtstreekse participaties omzetten in beleggingen in beleggingsvennootschappen zal fiscaal slechts lonen in de mate dat deze beleggingsvennootschappen zelf inkomsten (dividenden en meerwaarden) ontvangen die voor DBI-aftrek en meerwaardevrijstelling in aanmerking komen en daar het grootste deel van wederuitkeren via jaarlijkse dividenden. Bijkomend voordeel van beleggingen in DBI-Beveks is dat de minimum participatievereiste niet geldt.

Een nadeel is wel dat beleggingen in DBI-Beveks niet in aanmerking zullen komen voor de aftrek voor risicokapitaal, doch de impact hiervan zal beperkt zijn in het licht van de hervorming van deze aftrek ingevolge het Zomerakkoord.

Het zal er dus op aankomen om het juiste beleggingsvehikel te kiezen waarvan het DBI-Bevek (of GVV) statuut geen twijfel lijdt en dat zelf belegt in het type van aandelen waarin uw vennootschap zelf rechtstreeks had belegd (rekening houdend met de sector, geografische spreiding, risicoprofiel, enz.).  

Naast de klassieke DBI-Beveks kunnen trouwens ook beleggingen in Private Privaks overwogen worden, die zelf beleggen in aandelen van niet-genoteerde vennootschappen.  

Uitwijken naar beleggingsfondsen (zonder rechtspersoonlijkheid) lijkt veel minder aan te raden.  Hoewel deze fiscaal transparant zijn, zal het toch essentieel zijn dat de fondsbeheerder een correcte ventilatie kan opgeven van het type van inkomsten die in het fonds terecht komen (dividenden, meerwaarden voor of na 12 maand houdperiode, fiscaal statuut/locatie van vennootschappen waarin werd belegd, interestinkomen, enz.).

Bij gebrek aan een afdoende inkomstenventilatie door de beheersvennootschap (overeenkomstig artikel 321bis WIB 1992) zal elke som toegekend of betaalbaar gesteld door een gemeenschappelijk beleggingsfonds beschouwd worden als interest, waardoor deze sommen volledig belastbaar zijn aan het gewoon tarief van 29,58% (of 20,40% voor 'kleine' vennootschappen die van het verlaagd tarief kunnen genieten op de eerste 100.000 EUR).

Indien uw vennootschap dus over een beleggingsportefeuille beschikt is het sterk aan te raden om deze eens grondig door te lichten vanuit fiscaal oogpunt en, waar nodig of wenselijk, bijsturingen te doen teneinde de impact van de gewijzigde fiscaliteit zo beperkt mogelijk te houden.  Een bijkomend aandachtspunt hierbij is de behandeling van de diverse beleggingsproducten op het vlak van de beurstaks.  

Baker Tilly kan u in deze fiscale screening bijstaan en adviseren, in nauwe samenspraak met uw bank of vermogensbeheerder.

Voor vragen kan u steeds terecht bij Marc De Munter, Tax Partner van onze Consultingafdeling of uw dossierbeheerder.