Vrijstelling onroerende voorheffing ruimer dan ‘fysieke of geestelijke zorg’

Vakartikels

Traditioneel worden van onroerende voorheffing vrijgesteld de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor o.m. het openbaar uitoefenen van een eredienst, voor onderwijs, het vestigen van hospitalen, klinieken, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden of voor ‘andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen’
(artikel 12, §1 juncto artikel 253, alinea 1, 1° WIB 1992; artikel 2.1.6.0.1., eerste lid, 1° VCF voor het Vlaams Gewest).

Donation workers

Traditioneel neemt de fiscale administratie, hierin gevolgd door bepaalde rechtbanken en hoven, het standpunt in dat met ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ bedoeld worden de instellingen die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken aan hulpbehoevenden. Zo nam het Hof van Cassatie in een arrest van 10 februari 2017 het standpunt in dat een VZW die zich inzet voor armenzorg via het aanbieden van voedsel en kledij tegen symbolische prijzen en het openstellen van een ontmoetingsplaats kwalificeert als soortgelijke weldadigheidsinstelling, ongeacht of er overnachting of onderdak wordt verleend.

In een recente zaak die voor het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 44/2018 dd. 29 maart 2018) kwam betwistte de VZW “Een Open Plaats” de weigering van de vrijstelling door het Vlaams Gewest, op grond van het argument dat de vrijstelling niet enkel speelt voor fysieke en geestelijke zorgverstrekking, doch ook voor het verlenen van maatschappelijke en/of sociale zorg. Doel van de VZW was o.m. het opvangen van personen en gezinnen in een kwetsbare situatie, de zorg voor het milieu door maximaal hergebruik van ingezamelde goederen en het ontwikkelen en waarborgen van de tewerkstelling van langdurig werklozen.

Vlabel oordeelde dat ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ enkel slaat op instellingen die fysieke of geestelijke zorg verstrekken, doch het Grondwettelijk Hof oordeelde dat dit criterium strijdt met de doelstelling van de vrijstelling, met name het aanmoedigen van de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden door de daartoe aangewende onroerende goederen fiscaal te begunstigen.

Op basis van de wettekst zelf van artikel 12, §1 WIB 1992 komt het Hof tot het besluit dat de daarin limitatief opgesomde instellingen niet beperkt zijn tot deze die enkel fysieke of geestelijke zorg verstrekken, nu bijv. ook onderwijsinstellingen en vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden in aanmerking komen voor de vrijstelling.

Op basis hiervan komt het Grondwettelijk hof tot het besluit dat het inperken van de term ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ tot instellingen die enkel fysieke of geestelijke zorg verstrekken het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden. Dergelijke schending is er niet, indien de vrijstelling
wordt uitgebreid tot instellingen zonder winstoogmerk die andere zorg aan hulpbehoevenden verstrekken dan fysieke of geestelijke zorg.

Deze uitspraak kan dus voor heel wat VZW’s (of andere non-profit organisaties) die actief zijn in andere zorgsectoren van groot belang zijn, bijv. voor beschutte werkplaatsen die mensen met een handicap integreren in het arbeidscircuit of voor instellingen die moeilijk plaatsbare werklozen tewerkstellen. Zij kunnen dit arrest aangrijpen om eventueel nog bezwaar in te dienen tegen de aanslag inzake onroerende voorheffing. Gezien de recente wetswijziging in het Brussels Gewest lijkt dit arrest echter minder perspectieven te bieden voor onroerende goederen die in het Brussels Gewest zijn gelegen en bijvoorbeeld voor sociale tewerkstelling worden gebruikt.

Voor vragen hierrond kan u zich steeds wenden tot Marc De Munter van onze Consultingafdeling.