Het Zomerakkoord: toelichting inzake vennootschapsbelasting: deel 1

Artikels

Voorlopig is de inhoud gebaseerd op niet-finale versies van een voorontwerp van wet, zodat wijzigingen t.o.v. de finale gestemde versie zeker niet uitgesloten zijn.

1. De verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting

Eén van de meest in het oog springende maatregelen van de aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting is de verlaging van het nominaal belastingtarief. De hervorming zal in twee fases worden doorgevoerd.

  • De eerste fase slaat op aanslagjaar 2019 (verbonden aan een belastbaar tijdperk (boekjaar) dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018) en 2020.
  • De tweede fase start vanaf aanslagjaar 2021, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020. 

In de eerste fase wordt het standaardtarief verlaagd naar 29%. Samen met de aanvullende crisisbijdrage, die verlaagd wordt naar 2%, zal het totaal tarief uitkomen op 29,58%.

Daarnaast wordt in de eerste fase het huidige verlaagd opklimmend tarief afgeschaft en komt er een zogenaamd ‘KMO-tarief’ in de plaats.  Dat KMO-tarief is een lager tarief dat van toepassing op de eerste schijf van de belastbare winst van 100.000 EUR, indien aan bepaalde voorwaarden voldaan is.

Op de belastbare winst die 100.000 EUR overschrijdt, is in principe het standaardtarief van toepassing, dat voor boekjaren die aanvangen vanaf 1 januari 2018 29,58% zal bedragen.  Hieronder komen wij terug op de voorwaarden die vervuld moeten worden om van het ‘KMO-tarief’ te kunnen genieten.

In de tweede fase zou het standaardtarief verder dalen van 29,58% naar 25%, terwijl het KMO-tarief (op de eerste schijf van 100.000 EUR belastbare winst), zou dalen van 20,4% naar 20%, dit ingevolge het afschaffen van de crisisbijdrage.

  Huidig tarief 2018 - 2019 2020
standaardtarief 
(incl. crisisbijdrage)
33,99 % 29,58 % 25 %
Verlaagd opklimmend
tarief (winst tot
322.500 EUR)

0 - 25.000 EUR: 24,97 %
25.001 - 90.000 EUR: 31,93 %
90.001 - 322.500 EUR: 35,53 %

   
KMO-tarief   20,4 % op de eerste 
schijf van
100.000 EUR winst
20 % op de eerste
schijf van
100.000 EUR winst

Voorwaarden kmo - tarief

Het KMO-tarief kan het best worden voorgesteld als een uitzondering op het standaardtarief, dat de algemene regel vormt. Indien men voldoet aan de voorwaarden, wordt de eerste schijf van 100.000 EUR van de belastbare winst niet belast aan het standaardtarief, maar wel aan het (lagere) KMO-tarief. 

Een vennootschap kan enkel genieten van het lagere KMO-tarief indien volgende voorwaarden voldaan zijn:

  •  De vennootschap moet ‘klein’ zijn in de zin van art. 15, §1 tot en met §6 W. Venn.
  •  In het boekjaar moet aan minstens één bedrijfsleider - natuurlijke persoon een brutobezoldiging toegekend worden van minstens 45.000 EUR

Indien de belastbare winst echter lager is dan 45.000 euro, moet de bezoldiging slechts even hoog zijn als de belastbare winst.

Deze voorwaarde is echter niet van toepassing zijn op vennootschappen gedurende de eerste vier boekjaren vanaf hun oprichting.  

  • De vennootschap mag geen ‘financiële vennootschap’(1) zijn.  
  • De vennootschap mag geen ‘dochtervennootschap’(2) zijn.
  • De vennootschap mag geen ‘beleggingsvennootschap’ zijn met en afwijkend fiscaal regime. 

Deze voorwaarden zijn grotendeels geïnspireerd op de voorwaarden die momenteel gelden om te kunnen genieten van het verlaagd opklimmend tarief. Er zijn echter eveneens enkele belangrijke verschillen.
Een eerste voornaam verschil is de (nieuwe) vereiste dat de vennootschappen ‘klein’ moet zijn in de zin van art. 15, §§1 - 6 Wetboek Vennootschappen. 

Daarnaast stijgt de minimum bedrijfsleidersbezoldiging van 36.000 EUR naar 45.000 EUR (of de belastbare winst, indien de belastbare winst lager zou zijn dan 45.000 EUR).

In vergelijking met het verlaagd opklimmend tarief vallen er ook enkele voorwaarden weg. Ten eerste is het niet langer vereist dat de vennootschap niet meer dan 322.500 EUR belastbare winst maakt. Ten tweede geldt de voorwaarde dat de vennootschap geen dividenduitkeringen mag uitkeren die hoger zijn dan 13% van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbaar tijdperk niet meer. 

Inwerkingtreding

De tariefverlaging (zowel het standaardtarief van 29,58% als het KMO-tarief) zal maar van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2019 voor boekjaren die ten vroegste aanvangen vanaf 1 januari 2018. 

Concreet betekent dit dat een vennootschap met een gebroken boekjaar, bijv. een boekjaar dat afsluit op 1 december 2017, pas voor het eerst zal kunnen genieten van de tariefverlaging vanaf het boekjaar dat aanvangt op 1 december 2018.

Ook een vennootschap met een verkort boekjaar dat aanvangt vanaf 1 januari 2018 maar nog eindigt voor 31 december 2018, kan nog niet van de tariefverlaging genieten tijdens dat boekjaar, gezien dat boekjaar verbonden is met aanslagjaar 2018 en niet met aanslagjaar 2019.

(1) Een vennootschap wordt gezien als een 'financiële vennootschap' indien ze aandelen bezit waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 %, hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestorte kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. 
(2) Een 'dochtervennootschap' in deze zin is een vennootschap waarvan de aandelen voor meer dan de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen. 

2. Belasting van een meerwaarde op aandelen

Ook op het vlak van de meerwaardebelasting op aandelen zijn er veranderingen op til. Deze hervorming zal eveneens in twee fasen doorgevoerd worden, zoals voor de tariefverlaging.

Huidige belastingstelsel voor meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting

Thans zijn meerwaarden gerealiseerd door ‘kleine’ vennootschappen volledig vrijgesteld, indien de taxatievoorwaarde voldaan is én de aandelen voor een periode van één jaar ononderbroken in volle eigendom aangehouden werden. Indien een ‘grote’ vennootschap aan voornoemde voorwaarden voldoet, is er een minimumtarief van 0,412 %(3) verschuldigd op de meerwaarde. Wanneer een (kleine of grote) vennootschap de aandelen realiseert binnen het jaar, dan wordt de meerwaarde belastbaar aan 25,75 % (4).

Toekomstige belastingstelsel voor meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting

De onderstaande tabel geeft het toekomstige stelsel van de meerwaardebelasting op aandelen schematisch weer. De eerste fase van de hervorming houdt in dat meerwaarden op aandelen volledig belastingvrij zijn indien voldaan is aan drie cumulatieve voorwaarden, namelijk:

  1. De aandelen moeten voor een ononderbroken periode van minstens één jaar in volle eigendom aangehouden worden;
  2. De taxatievoorwaarde(5), die samengevat inhoudt dat de winsten die zouden uitgekeerd worden door de vennootschap waarin de aandelen aangehouden worden, onderworpen werden aan een belastingregime dat vergelijkbaar is met de Belgische vennootschapsbelasting;
  3. De participatievoorwaarde(6), hetgeen inhoudt dat de (verkopende) vennootschap ofwel minstens 10 % van de aandelen moet bezitten, ofwel dat de aanschaffingswaardewaarde van de participatie minimaal 2,5 miljoen EUR bedraagt.Aan de participatievoorwaarde zou eveneens voldaan zijn indien de participatievoorwaarde bereikt is op enig ogenblik gedurende de drie jaar vóór de overdracht van de aandelen. Op die manier zou vermeden worden dat een verkoop van de aandelen in schijven ervoor zou zorgen dat de aandelen niet zouden kunnen genieten van de vrijstelling van de aandelen. 

De voorwaarden voor de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen worden met andere woorden gelijkgeschakeld met de voorwaarden voor de DBI-aftrek voor dividenden. Indien niet voldaan is aan de taxatievoorwaarde of de participatievoorwaarde, wordt de meerwaarde belast aan het toepasselijke tarief van de vennootschapsbelasting.

Indien daarentegen wel voldaan is aan de taxatievoorwaarde en de participatievoorwaarde, maar de aandelen niet voor meer dan 1 jaar in volle eigendom aangehouden zijn, is de meerwaarde belastbaar aan het afzonderlijke tarief van 25% of 25,50% inclusief 2% crisisbijdrage (of het KMO-tarief van 20,4% voor de eerste 100.000 EUR). In de tweede fase van de hervorming vervalt de crisisbijdrage en daalt het toepasselijk tarief naar 25%, zijnde het algemeen toepasselijk tarief, of 20% voor KMO’s. 

Aangezien de hervorming ook het huidige tarief van 0,412% op meerwaarden op aandelen gerealiseerd door grote vennootschappen afgeschaft, zullen - in tegenstelling tot onder het huidige stelsel - ook grote vennootschappen onder de voornoemde voorwaarden volledig belastingvrije meerwaarden op aandelen kunnen realiseren. 

(3) Art. 217, eerste lid, 3° WIB 92
(4) Art. 217, eerste lid, 2 ° WIB 92
(5) Art. 203 WIB 92
(6) Art. 202, §2, 1° WIB 92

Fase 1 hervormingen
(AJ 2019 en 2020)
Taxatievoorwaarde én 
participatievoorwaarde voldaan
Taxatievoorwaarde en/of
participatievoorwaarde
niet voldaan
Aandelen wel ononderbroken
aangehouden voor
meer dan 1 jaar
0 % Standaardtarief: 29,58 %
behalve wanneer het KMO-tarief
kan toegepast worden,
in dat geval 20,4 %

Aandelen ononderbroken
niet-aangehouden
voor 1 jaar

25,5 %, behalve wanneer het 
KMO-tarief toegepast kan worden, 
in dat geval 20,4 %
Standaardtarief: 29;58 % 
behalve indien het 
KMO-tarief kan toegepast worden,
in dat geval 20,4 %

 

Fase 2 hervorming
(AJ 2021 e.v.)
Taxatievoorwaarde én 
participatievoorwaarde voldaan
Taxatievoorwaarde en/of
participatievoorwaarde
niet voldaan
Aandelen wel ononderbroken
aangehouden voor
meer dan 1 jaar
0 % Standaardtarief: 25 %
behalve wanneer het KMO-tarief
kan toegepast worden,
in dat geval 20 %
Aandelen ononderbroken
niet-aangehouden
voor 1 jaar
25 %, behalve wanneer het 
KMO-tarief toegepast kan worden, 
in dat geval 20 %
Standaardtarief: 25 % 
behalve indien het 
KMO-tarief kan toegepast worden,
in dat geval 20 %


Nadelige gevolgen voor vennootschappen die aandelen aanhouden als belegging

Een nadelig gevolg van deze hervorming is dat meerwaarden op aandelen in (beursgenoteerde) vennootschappen, in vele gevallen niet langer belastingvrij zullen zijn. In dergelijke gevallen zal de participatievoorwaarde immers meestal niet vervuld zijn, aangezien deze participaties veelal lager zullen liggen dan 10 % of een aanschaffingswaarde van 2,5 miljoen EUR niet zullen halen. 

In bepaalde gevallen kan het dan ook fiscaal gezien interessant zijn om nog voor de hervorming over te gaan tot de verkoop van een aandelenpakket.

Besluit

Na de hervorming zullen zowel grote als kleine vennootschappen volledig belastingvrije meerwaarden op aandelen realiseren indien voldaan wordt aan de voorwaarden voor de DBI-aftrek. 

Dit houdt eveneens in dat, in tegenstelling tot onder de huidige regeling, de participatievereiste een voorwaarde zal worden om een belastingvrije meerwaarde te kunnen realiseren. Indien niet aan de participatievoorwaarde voldaan zal zijn, zal de meerwaarde belast worden. Het tarief van deze belasting is afhankelijk van het tarief van de vennootschapsbelasting waaraan de vennootschap onderworpen is (standaard of KMO-tarief) en de houdperiode van de verkochte aandelen (meer of minder dan één jaar).  

Hierna volgt een beslissingsboom inzake meerwaarden op aandelen:

Figuur zomerakkoord deel 1

3. De hervorming van de notionele interestaftrek

Op dit moment wordt de notionele interestaftrek berekend op basis van het gecorrigeerd eigen vermogen op het eind van voorgaand belastbaar tijdperk. De regering wenst manipulaties te voorkomen en schommelingen in het risicokapitaal uit te vlakken.

Vandaar dat ingevolge de hervorming de notionele interestaftrek berekend zal worden op basis van het zogenaamde ‘incrementeel’ risicokapitaal.  Dit wordt hieronder toegelicht. 

Berekening 'incrementeel' risicokapitaal en van de notionele interestaftrek

Het ‘incrementeel’ of bijkomend risicokapitaal wordt bepaald op één vijfde van het positieve verschil tussen enerzijds het gecorrigeerd eigen vermogen aan het eind van het betrokken boekjaar en anderzijds het gecorrigeerd eigen vermogen aan het eind van het vijfde voorafgaande boekjaar. Dit komt overeen met het verschil tussen het gemiddeld eigen vermogen van het betrokken boekjaar en de vier voorafgaande boekjaren en het gemiddeld eigen vermogen van de vijf boekjaren voorafgaand aan het betrokken boekjaar.

Het aldus berekend ‘incrementeel’ risicokapitaal moet op zijn beurt vermenigvuldigd worden met het tarief van de notionele interestaftrek dat van toepassing is in het betrokken aanslagjaar.

Eenvoudig voorbeeld

Bovenstaande berekeningsmethode kan verduidelijkt worden door een eenvoudig voorbeeld, gebaseerd op de huidige ontwerpteksten. 
Een kleine vennootschap heeft volgende gecorrigeerde eigen vermogen op het eind van het belastbaar tijdperk:

Boekjaar 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Gecorrigeerd 
eigen vermogen 
eind belastbaar
tijdperk

€ 900.000 € 1.000.000 € 1.100.000 € 1.200.000 € 1.300.000 € 1.200.000


Het gecorrigeerd eigen vermogen aan het eind het betrokken boekjaar (in dit geval 2018) bedraagt 1.200.000 euro. Het gecorrigeerd eigen vermogen aan het eind van het vijfde voorafgaande boekjaar is 900.000 euro. Het positief verschil tussen beide is 300.000 EUR. Indien men hier een vijfde van neemt, komt men uit op een berekeningsbasis van 60.000 EUR. Aangezien het tarief van de notionele interestaftrek voor kleine vennootschappen in aanslagjaar 2019 1,246% zal bedragen, heeft de vennootschap recht op 747,6 EUR notionele interestaftrek. 

Ter vergelijking: dezelfde vennootschap heeft onder vigerende systeem van de notionele interestaftrek tijdens boekjaar 2017 (aanslagjaar 2018) recht op een notionele interestaftrek van  8.844 EUR. 

Besluit

De notionele interestaftrek wordt niet afgeschaft, maar het voordeel dat eruit gehaald kan worden zal wel sterk dalen. Voor kleine vennootschappen die investeren zal het gelet op de stijging van het percentage van de investeringsaftrek tot 20% (zie hierna) dikwijls voordeliger zijn om af te zien van de notionele interestaftrek en te opteren voor de investeringsaftrek.

4. Het tijdelijk verhoogd tarief van 20 % van de gewone éénmalige investeringsaftrek voor KMO's

De Regering heeft aangekondigd om de gewone eenmalige investeringsaftrek voor kleine vennootschappen tijdelijk te verhogen van 8% naar 20%. Het is belangrijk te benadrukken dat het slechts een tijdelijke verhoging betreft. Dit verhoogd tarief van 20% is van toepassing op vaste activa verkregen of tot stand gebracht tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019 in de loop een belastbaar tijdperk dat aan de  aanslagjaren 2019 en 2020 verbonden is. Dit wordt verder verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld.

Algemeen gesproken komt de investeringsaftrek erop neer dat (bovenop de afschrijvingskosten) fiscaal gezien 20% van de aanschaffingswaarde als investeringsaftrek kan afgetrokken worden van de belastbare basis, indien aan de voorwaarden voldaan is.

Voorwaarden investeringsaftrek

Aan de voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de investeringsaftrek is niets gewijzigd. Samengevat moet het gaan om :

  • Investeringen door kleine vennootschappen of natuurlijke personen onderworpen aan de personenbelasting, die betrekking hebben(7)
  • op materiële of immateriële vast activa
  • die niet expliciet uitgesloten zijn van de investeringsaftrek(8) (onder andere de meeste personenwagens en verhuurde activa worden uitgesloten van de investeringsaftrek),
  • in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht
  • tijdens het (boek)jaar en
  • uitsluitend in België aangewend worden voor het uitoefenen voor de beroepswerkzaamheid

Alternatief voor notionele interestaftrek

Aangezien de notionele interestaftrek in veel gevallen gedecimeerd zal worden (zie hierboven), valt het voor kleine vennootschappen(9) die investeren te overwegen om over te stappen op het systeem van de investeringsaftrek. Een vennootschap kan de investeringsaftrek en de notionele interestaftrek immers niet tijdens eenzelfde belastbaar tijdperk combineren(10).

Timing van de investeringen: opletten met gebroken boekjaren

Gezien de nakende substantiële verhoging van de investeringsaftrek van 8% naar 20%, kan het interessant zijn om investeringen in vaste activa uit te stellen tot wanneer het verhoogd tarief van toepassing is. 

Vennootschappen met gebroken boekjaren kunnen investeringen in vaste activa echter niet zonder meer uitstellen tot 1 januari 2018. Zoals aangegeven, is het verhoogd tarief van 20% van toepassing op vaste activa verkregen of tot stand gebracht tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019 in de loop een belastbaar tijdperk dat aan de  aanslagjaren 2019 en 2020 verbonden is. 

Stel dat een vennootschap haar boekjaar afsluit per 30 juni. 

Deze vennootschap kan pas voor het eerst gebruik maken van het tijdelijk verhoogd tarief van 20% vanaf 1 juli 2018. Het boekjaar dat afgesloten wordt op 30 juni 2018 is immers aanslagjaar 2018, waarop de fiscale hervorming nog niet van toepassing is. 

De laatste investeringen zullen moeten gebeuren ten laatste op 31 december 2019 (aanslagjaar 2020, boekjaar afsluitend op 30 juni 2020). 

Besluit

De gewone eenmalige investeringsaftrek wordt verhoogd van 8% naar 20%. Voor kleine vennootschappen kan het de moeite lonen om over te stappen van het stelsel van de notionele interestaftrek naar dat van de investeringsaftrek. 

(7) Art. 68 WIB 92
(8) Art. 75 WIB 92
(9) In de zin van art. 15, § 1 tot en met §6 W. Venn., aangezien de gewone eenmalige investeringsaftrek enkel voor dergelijke vennootschappen openstaat.
(10) Art. 201, §1, 2°, tweede lid WIB 92

In bepaalde gevallen kan het aan te raden zijn om investeringen in vaste activa uit te stellen tot wanneer het verhoogde tarief van toepassing is, namelijk voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019 in de loop een belastbaar tijdperk dat aan de  aanslagjaren 2019 en 2020 verbonden is. Vennootschappen met gebroken boekjaren moeten de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen bij de timing van hun investeringen. 

5. De verhoging van de DBI-aftrek van 95 % naar 100 %

De DBI-aftrek houdt in dat dividenden verkregen van bepaalde (verbonden) vennootschap voor 95% uit de belastbare basis kunnen gehouden worden.
Ingevolge de aangekondigde hervorming zullen dergelijke dividendinkomsten volledig belastingvrij blijven. Er zal dus niet langer een belasting van in beginsel 1,6995%(11) op ontvangen dividenden zijn.

Voorwaarden DBI-aftrek

Aan de voorwaarden om van de DBI-aftrek te kunnen genieten wijzigt er niets. Enkel het percentage van de DBI-aftrek stijgt van 95% naar 100% met ingang van aanslagjaar 2019 voor boekjaren die ten vroegste beginnen op 1 januari 2018.

Samengevat zijn (en blijven) de voorwaarden om te kunnen genieten van de DBI-aftrek de volgende:

  • De aandelen moeten gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of zijn aangehouden
  • De taxatievoorwaarde(12)
  • De participatievoorwaarde(13)

Overgedragen DBI-aftrek

Het deel van de DBI-aftrek dat gedurende een bepaald aanslagjaar niet kan worden afgetrokken van de belastbare basis (omdat deze te laag uitvalt) kan overgedragen worden naar volgende aanslagjaren. Aan deze principiële overdraagbaarheid wordt niets gewijzigd, zij het dat de beperking tot 95% ook hier zou wegvallen.

Wel is het zo dat nu voorzien wordt dat de pro rata aftrekbeperking in functie van de fiscale nettowaarde die geldt bij belastingneutrale herstructureringen, zoals fusies, splitsingen en partiële splitsingen, voor overgedragen verliezen van de overgenomen en de overnemende entiteit wordt doorgetrokken naar de overgedragen DBI-aftrek. 

Een laatste wijziging betreft het bedrag van de DBI-aftrek dat jaarlijks kan afgetrokken worden van de belastbare winst indien deze laatste (na toepassing van de fiscale aftrekken van het jaar) meer bedraagt dan 1.000.000 EURO. Dit is de zogenaamde aftrekbeperking van de ‘korf’ of de minimale belastbare basis, naar Duits voorbeeld. Deze maatregel wordt in een volgende editie van de nieuwsbrief nader belicht.

Wij geven wel reeds mee dat de overgedragen fiscale aftrekken (waaronder de overgedragen DBI-aftrek) op het deel van de belastbare winst boven de 1 miljoen EUR slechts voor 70% zullen kunnen afgetrokken worden, terwijl het saldo verder overdraagbaar blijft naar volgende aanslagjaren. 

(11)  Aangezien ontvangen dividenden op dit ogenblik slechts voor 95 % vrijgesteld zijn, komt 5 % van het ontvangen dividend in aanmerking voor de belastbare basis. In de veronderstelling dat die 5 % belast wordt aan 33,99 %, wordt er in het totaal een belast van 1, 6995 % op het ontvangen dividend berekend. Dit is de zogenaamde DBI-lekkage. 
(12) Zie eerder in verband met de belasting van meerwaarden op aandelen.
(13) Zie eerder in verband met de belasting van meerwaarden op aandelen.

Besluit

De DBI-aftrek wordt verhoogd van 95% naar 100% met ingang van 2018. Dit houdt in dat bepaalde dividendinkomsten voortaan volledig belastingvrij zullen blijven. Bovendien wordt de DBI-aftrek in bepaalde scenario’s ingeperkt dan wel gespreid.

Voor vragen of verdere toelichtingen kan u zich richten tot uw dossierbeheerder of tot Marc De Munter (Tax Partner) of een ander lid van ons Consultingteam.